NEES Vic (1936-2013)

Vic Nees werd op 8 maart 1936 in Mechelen geboren als zoon van beiaardier en componist Staf Nees, en overleed in Grimbergen op 14 maart 2013. Hij was componist, koordirigent, musicoloog en docent.

Al van jongs af aan kwam Vic Nees in contact met de vocale muziek en de religieuze muziek. Hij zong in het St.-Romboutskoor onder leiding van Jules Van Nuffel en speelde tussen 1949 en 1958 orgel in de O.-L.-Vrouw van Hanswijkkerk in zijn geboortestad, waar hij zijn vader soms als organist verving. Na een jaar Letteren en Wijsbegeerte aan de KU Leuven, trok hij naar het conservatorium van Antwerpen en studeerde daar harmonie, contrapunt, fuga en compositie. Met zijn Kleine geestelijke triptiek behaalde hij de prijs Albert de Vleeshouwer in de compositieklas van Flor Peeters. In 1964 werd hij laureaat van de “Meisterkurs für Chorleitung” onder leiding van Kurt Thomas aan de Hochschule für Musik te Hamburg.

Tussen 1970 en 1996 was Vic Nees dirigent van het Omroepkoor van de BRT. Daarvoor, van 1961 tot 1970, had hij als producer bij de BRT gewerkt, maar was daarnaast ook actief als dirigent van verschillende koren. Als koordirigent was hij geregeld te gast in het buitenland en vertolkte zijn eigen werk en werk van Belgische collega-componisten, zoals Herman RoelstraeteKarel GoeyvaertsWillem Kersters en André Laporte. Hij was consulent bij de Europese Federatie van Jonge Koren en tevens een veelgevraagd jurylid bij internationale koorfestivals (onder meer in Arezzo, Arnhem, Cork, Maasmechelen, Tours en Trento).

Vic Nees wijdde zijn compositorisch oeuvre bijna uitsluitend aan koormuziek. Zijn talrijke koorcomposities behoren tot het vaste repertoire van vele koren, zoals zijn indrukwekkende discografie doet blijken. Nees werd gedurende zijn leven meermals bekroond met belangrijke prijzen: in 1973 ontving hij de Prijs Eugène Baie voor zijn volledige koormuziek, in 1990 de AGEC-prijs (uitgereikt door de Arbeitsgemeinschaft Europäischer Chorverbände) voor Regina Coeli-Blue be it (1988), in 1993 de Fugatrofee van SABAM, in 1995 de Vondelprijs van de Alfred Toepfer Stiftung in Hamburg en in 2000 de erepenning van de Marnixring. De Klara-carrièreprijs volgde in 2004. Ter gelegenheid van deze prijsuitreiking en het 75-jarig bestaan van de openbare omroep vond in Kortrijk een huldeconcert plaats. Verder werd Nees in 1998 verkozen tot werkend lid van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten.

Met zijn omvangrijke oeuvre, zijn bijdragen in tijdschriften en radioprogramma’s, zijn uitgaves van koormuziek uit heden en verleden, en de lessen koordirectie die hij gaf; was Vic Nees een belangrijke schakel in de vernieuwende koormuziekbeweging, zowel voor professionele kringen, als voor de amateurkoorwereld. Ter gelegenheid van zijn 75e verjaardag publiceerde Koor&Stem in 2011 een boek over de koorcomponist, dat de titel O song kreeg. Twee jaar later stierf Vic Nees op 77-jarige leeftijd.

 

Werkbespreking

Reeds in zijn eerste composities zette Vic Nees zich af tegen de Vlaamse romantische traditie, die zo kenmerkend is voor de stijl van zijn vader Staf Nees, en sloot hij zich (o.i.v. Kurt Thomas) aan bij de Duitse koorbeweging. Deze had vooral belangstelling voor de literair-religieuze tekst en de kerkmuziek in het algemeen. We zien bij Vic Nees duidelijke overeenkomsten met de stijl van Hugo Distler en Paul Hindemith, vb. in de Sonatine voor piano (1968). Nauw verwant met de esthetica van deze koorbeweging is het teruggrijpen naar de authenticiteit van de renaissance en de vroegbarok. Ook Nees liet zich inspireren door de muziek uit deze periodes, met Schütz als grote voorbeeld. Zijn composities passen tevens vaak de vocale polyfonie toe.

Vic Nees componeerde vooral opdrachtwerken, dikwijls het verplichte werk voor een wedstrijd. De keuze van de tekst en de tekstplaatsing was daarbij van heel groot belang. Omdat hij zich voor zijn eigen “minderheidstaal” verantwoordelijk voelde, maakte Nees vooral gebruik van de Nederlanse taal. Doorheen zijn oeuvre is een geleidelijke evolutie in de inhoud van de teksten merkbaar. Nees’ vroege werken benadrukken vooral het abstract-theologische, met een speciale aandacht voor de psalmen (vb. Mijn Herder is de Heer, ps.23 (1958), Looft den Heer in zijn heiligdom, ps.133 (1963)).

Tussen 1967 en 1972 bevatten zijn teksten vooral een maatschappelijk geëngageerde boodschap, zoals in de kerstcantate Rachel (1971) waarin Nees de Betlehemse kindermoord actualiseerde. In opdracht van het Festival van Vlaanderen onstond Mattheus en de rijkdom(1971), hier wordt kritiek geuit op de bezitsdrang. Vanaf 1972 stapte Nees af van deze geëngageerde teksten en legde terug de nadruk op religieuze composities (vb. Veni sancte Spiritus (1982), Ego Flos (1995)). Toch componeerde Nees slechts twee missen: één voor de viering van het 850-jarig bestaan van de munsterkerk van de stad Neuss in 2000 en het Requiem in 2007. Beide werken werden in opdracht geschreven. Op eigen initiatief zou Nees geen missen geschreven hebben, aangezien mismuziek in essentie functioneel is en de klemtoon vaak op het sacramenteel gebeuren ligt, wat in een niet-lithurgische context niet overkomt.

Naast geestelijke teksten duiken ook veel wereldlijke teksten op in het oeuvre van Vic Nees. Zo maakte hij talloze bewerkingen van volksliederen, waarvan hij naast afzonderlijke composities (Onder de linde (1962), Gekwetst ben ik van binnen (1969), Hoe lustich is den Somer (1973)) verschillende bundels samenstelde (Ik kwam er lestmaal (1966), Wech op! Wech op! (1968), Ik ben van nergens en overal (1973)). Ook werkte hij geregeld met poëzie. In de zangcyclus Ons derde land (1974) zette Nees poëzie van de Vlaamse dichter Mark Insingel op muziek voor stem en piano, en het koorwerk Trois madrigaux (2012) neemt gedichten van Guido Gezelle als uitgangspunt. De zee is een orkest (2001) is een compositie voor jeugdkoor op tekst van Armand van Assche. Nees vond deze kinderpoëzie ook waardenvol voor volwassenen en wilde hiermee zelf een koorcompositie maken die uitvoerbaar was voor kinderen, maar ook door volwassenen gewaardeerd kon worden. De muziek moest dus de zuivere pedagosgische functie overstijgen.

Vic Nees hechtte veel belang aan de tekstverstaanbaarheid. De tekst bepaalt het tempo, de melodie, het ritme en de harmonie (die bij Nees eerder tonaal is). De melodieën van Nees zijn soms doordrongen van lyriek, maar staan altijd zo dicht bij de tekst dat ze in de vertolking geen enkele bijkomende versiering verdragen. Dit leidt soms tot spreekkoren en gereciteerde passages. Omgekeerd moet de muziek de tekst ook verklaren door middel van tekstschildering. Nees maakte gebruik van verschillende technieken om de uitdrukking van de inhoud te vergroten, zoals repetitieve elementen (Lesbia (1978)), clusters (Rachel (1970)) en complexe ritmes (bijvoorbeeld de doorgedreven syncoperingen in Psalm 150 (1963)).

Op het einde van de jaren ’60 (vanaf de kerstcantate Rachel) experimenteerde Nees voor het eerst met avant-gardistische koortechnieken, in navolging van componisten als Penderecki en Cerha die de stem reeds op een onconventionele manier gebruikten: de zangers moesten lachen, fluiten, zingen met gesloten mond en fragmenten voordragen in “sprechgesang”. Nees bleef deze technieken echter met mate gebruiken ten voordele van de verstaanbaarheid van de tekst. Nadien volgde een aantal werken waarin opnieuw het accent ligt op de intieme uitdrukkingskracht, zoals bijvoorbeeld Aurora Lucis, een cantate voor kinderkoor, jeugdkoor en strijkers, geschreven voor het ‘jaar van het kind.’

In het Magnificat (1981), voor sopraansolo en gemengd koor a capella, merken we een versobering op in de muziektaal van Vic Nees. De componist streefde hier naar “nieuwe eenvoud” met herontdekking van de diatoniek en een bescheiden gebruik van repetitieve middelen. Magnificat is opgedragen aan Kamiel Cooremans ter gelegenheid van zijn twintigjarig jubileum als dirigent. Het geheel bestaat uit negen delen waarbij de eerste drie delen (A-B-C) en de laatste drie (C-B-A) op vlak van muzikaal materiaal met elkaar overeenstemmen. Door het gebruik van verschillende compositietechnieken en -stijlen geeft Nees aan elk van deze negen onderdelen een eigen subjectieve uitdrukkingskracht.

Soms integreerde Nees niet-klassiek-westerse elementen in zijn muziek. Hij maakte gebruik van elementen uit de wereldmuziek, zoals de verwerking van tamtamsignalen en de verwijzing naar flamencomuziek. In Bonum est confidere Domino (voor tenor, harp, percussie en koor) doet de instrumentale inleiding denken aan de Keltische harpmuziek. In Vigilia de Pentecostes (een groots koorwerk voor solisten, orgel en hoorn in opdracht van het congres over hedendaagse religieuze muziek in Montserrat in 1972) wordt de joodse shofar geïmiteerd.

Regina Coeli-Blue be it (1988), een compositie voor vijfstemmig koor, sopraansolo en celesta, werd geschreven in opdracht van het koor Musica Nova uit Boom en werd in 1990 bekroond met de AGEC-prijs. De titel wijst op het gebruik van 2 talen: het koor zingt een Latijns Mariamotet terwijl de sopraan tussenkomt met fragmenten uit een Engels gedicht uit de 19e eeuw, namelijk The blessed Virgin compared to the air we breathe van Hopkins. Het confronteren van twee uiteenlopende tekst- en muziekbronnen vinden we ook terug in Nuestra Señora de la solidad (1991), waar het ‘Stabat Mater’ en het ‘Sub tuum praesidium’ samen aangewend worden. Het oratorium Anima Christi werd in 1990 geschreven voor de “Laudes voor Ignatius van Loyola”, naar aanleiding van diens geboortedag 500 jaar geleden. Het werk, voor vocale solisten, koor, 4 klarinetten, contrabas, piano, vibrafoon, clavecimbel en percussie, is gecomponeerd op tekst van E.H. A. Boone. Boone (die ook de tekst leverde voor de kerstcantate Rachel) baseerde zich op bijbelteksten, gebeden en geschriften van Ignatius van Loyola. Reeds in de prelude (met de titel Vanitas Mundi) worden we geconfronteerd met de symboliek die zo eigen is aan Vic Nees’ taal. De instrumenten staan hier voor het wereldse aspect, de menselijke stem daarentegen bevindt zich een stapje dichter bij de hemel.

In het Trumpet Te Deum, voor hoge sopraan, 2 trompetten in C en gemengd koor (2003), opgedragen aan Peter Dejans en Musa Horti, zette Nees de Latijnse tekst van het ‘Te Deum Laudamus’ (U, God, Loven wij) op muziek. Doorheen de compositie, die in zeven delen uiteenvalt volgens de segmenten van de tekst, worden uiteenlopende stemmingen opgeroepen; van het feestelijke karakter van het wervelende derde deel (Patrem immensai majestatis) tot het smekende, bijna smachtende vijfde deel (Te ergo quaesumus). Bij het oproepen van deze verschillende sferen is het aandeel van de twee trompetten niet over het hoofd te zien. Met behulp van verschillende soorten dempers wordt de klank van de instrumenten aangepast aan de harmonische omgeving waarin het koor zich bevindt. In het vijfde deel nemen de trompetten actief deel aan de verwerking van het beginmotief, dat zich aanvankelijk in een dubieuze A groot/a klein sfeer situeert. De onderliggende harmonie is vaak mild dissonant en resulteert in een vrij pessimistisch klankbeeld, wat mooi aansluit bij de tekst (‘Te ergo quaesumus, ruis famulis subveni, quos pretioso sanguine redemisti’; Wij bidden U derhalve, kom Uw dienaren te hulp, die Gij door Uw kostbaar bloed verlost hebt). De sopraan solo draagt doorheen het werk bij aan het briljante karakter van de muziek door de vrij hoge tessituur waarin ze zich bevindt, maar kan ook heel intiem naar voor gebracht worden. Ondanks de vrij uiteenlopende stemmingen waartussen het werk zich beweegt, slaagde Vic Nees er toch in een coherente structuur op te bouwen.

Eén van de laatste grootschalige werken die Vic Nees componeerde, is het Requiem. Gedurende het gehele jaar 2007 werkte Nees aan dit achtdelige werk voor gemegd koor, sopraan en tenor dat door het Gents Madrigaalkoor besteld was. Om de lange compositie boeiend te houden, varieerde Nees de densiteit van de bezetting van vierstemming tot tienstemmig koor (bijvoorbeeld in het dubbelkorige Sanctus). Verder gaf hij aan elk deel van het requiem een eigen kenmerkende stijl. Je zou de opéénvolging van stijlen bijna kunnen lezen als een samenvatting van de compositorische taal die Nees tijdens zijn leven opbouwde. Het diatonische en repetitieve Introitus leunt aan bij de “nieuwe eenvoud” van het hierboven besproken Magnificat, en ligt zelfs nog dichter bij het Amerikaans minimalisme van Steve Reich en Philip Glass. In het Kyrie komt het etnische aspect aan bod, voornamelijk in de zangwijze van de sopraansolo, die in de uitgebreide melismatische versieringen Oosters aandoet. De dubbelkorigheid van het Sanctus herinnert dan weer aan de barok. Toch kunnen we het Requiem niet zomaar lezen als een samenvatting van Nees’ taal, het werk vormt er juist ook een uitzondering op: voor het eerst maakte Vic Nees gebruik van de Vlaams-romantische lyriek, waarvoor zijn vader bekend was en waartegen hij zich tot dan toe steeds had afgezet.

 

Werklijst

Liederencycli: Ons derde land (1974); Requiem voor een kind (1976); Verborgen roos (1977); Two songs (1982); Op de keerkring (1982-83)

Koorwerken: Fünf Motetten (1964); Mattheus en de rijkdom (1971); Birds and flowers for Flor’s and William’s birthday (1973); Als een duif op een dak (1974); Seven madrigals (1976); Lesbia (1978); Magnificat (1981); Gisekin-triptiek (1981-82); E cantico canticorum fragmenta (1994); Ego Flos (1995); Windharp (1996); Sion psalm 87, motet voor 3 sopranen en tamboerijn (2001); Singet dem Herrn (2001); In Memoriam (2001); Nu is die roe van Jesse (2002); Zwei Chorlieder (2002); Filosofenfontein (2003); In Diebus Festivis Cantica (2004); Drie Pelgrimsliederen van David (2004); Zingen (2005); Aachener Ave Maria (2005); Requiem (2007); Zwei Stoecklin-Chöre (2010); Grimbergs Gloria (2012); Trois madrigaux (2012); De profundis clamavi

Vocaal-instrumentaal: Veni Sancte Spiritus (1982); Neusser Messe (1988); Concerto per la beata vergine met hobo-solo (2000); Stella Maris, met accordeon (2002); Trumpet – Te Deum voor hoge sopraan, 2 trompetten in C en gemengd koor (2003); Psalm 122 (2004); Stella Maris (2004)

Cantate: Rachel (1971); Mammon (1972); Aurora Lucis (1978-79); Nausikaä (1985-86); Liermolen (1986); Nuestra Señora de la soledad (1990); De zee is een orkest (2000)

Oratorium: Anima Christi; Laudes voor Ignatius van Loyola (1991)

Instrumentaal: Interludium voor orgel (1972); 2 x Baie voor blaaskwintet (1989)

Een uitgebreide werklijst vindt u hier.

 

Bibliografie

– S. CLAEYS, Vic Nees, Vlaams koorcomponist bij uitstek, in Muziek & Woord, jg. 1 nr. 11, 1975, p. 10
– K. COOREMANS, De retoriek van Vic Nees, in Muziek & Woord, nr.5, 2001, p. 18
– K. COOREMANS, cd-boekje voor A Tribute to Vic Nees, Phaedra 92035, 2004
– K. COOREMANS, V. NEES, cd-boekje voor Requiem, Koor & Stem en Gents Madrigaalkoor, GMK11, 2011
– K. COOREMANS, K. THEUWISSEN, J. DEWILDE, O Song Vic Nees portret van een koorcomponist, Leuven, 2011
– J. COSAERT, Zingen…een aloude passie van Vic Nees, in Muziek & Woord, jg. 2 nr. 20, 1976, p. 6
– N. GOOSSENS, Nieuwe koormuziek in Vlaanderen, scriptie, Lucas Van Hove (promotor), Koninklijk Conservatorium van Antwerpen, 2009
– H. HEUGHEBAERT, Ontmoeting met koorcomponist Vic Nees, in Gamma, 26, 1974, p. 94-98
– H. HEUGHEBAERT, Vic Nees: retrospectieve van een kwarteeuw koormuziek, in Ons Erfdeel, 26/2, 1982, p. 291-293
– J. KINDERMANS, Een licht op de muziek van Vic Nees omstreeks 1980, scriptie, Roland Broux (promotor), Lemmensinstituut, 2003
– Y. KNOCKAERT, De modernisten, in Nieuwe Muziek in Vlaanderen, uitg. dr. M. DELAERE, Y. KNOCKAERT en H. SABBE, Brugge, 1998, p.109-133
– W. SCHEPPING, Die „Neusser Messe“ von Vic Nees, in Musica Sacra, nr. 1, 2002, geraadpleegd op www.musica-sacra-online.de
– K. THEUWISSEN, Vic Nees: de cirkelgang van een inwendig lied, in Ons Erfdeel, nr. 2, 1992, p. 255
– J. VAN DEUN, La reconnaissance internationale pour Vic Nees, in Septentionl, nr. 2, 1996 p. 86
– P. VAN MOERGASTEL, Vic Nees, compositeur belge, in International Choral Bulletin, nr. 3, 1993 p. 47
– H. VANDEN ABEELE, Een leven voor stem en koor, in Muziek & Woord, jg. 30 nr. 363, 2004, P. 4-5
– F. ROQUET, Art. Nees, Victor (Vic), in lexicon Vlaamse componisten gebroren na 1800, Roeselare, 2007, p. 536-537

 

Discografie

– ARVO PÄRT. VIC NEES (Regerchor Braunschweig), eigen beheer
– 8 Japanese Volksliederen (BRT Koor), BRT LP 879301
– Vijf motetten voor gemengd koor a capella (Audite Nova, Het Kortrijks Gemengd Koor), HEDENDAASGE BELGISCHE MUZIEK, Cultura 5070-2, 1973
– De profundis clamavi (Musica Nova), PARELS UIT VIER EEUWEN KOORMUZIEK, Alpha SP 6021, 1974
– Maria heeft het boek der profetieën geschouwd (Schola Cantorum), GLORIA LAUS, Alpha SP 6032, 1976
– VIC NEES – MAGNIFICAT (Audite Nova, Thesaurus Musicus, Greta De Reyghere), Terpsichore 1982 040, 1983
– VIC NEES: VIGILIA DE LA PENTECOSTA (Escolania I Capella De Musica Montserrat), Montserrat DAM-1001, 1984
– Psalm 150, Fortissimi, JEUGDKOOR O.-L.-V. TEN POEL, Poketino 0013, 1990
– NEES VIC – ANIMA CHRISTI (Gents Madrigaalkoor), Eufoda 1146, 1991
– Gisekin-triptiek (Vlaams Radiokoor), IN FLANDERS’ FIELDS, vol.6, Phaedra 92006, 1992
– Alma Redemtoris Mater (Onze-Lieve-Vrouwkoor van Mechelen), INTROIBO, uitgave in eigen beheer, EP 9201 A, 1992
– Al onder de weg van Maldegem, Schoon lieveke, Schrijf mijn naam niet, Wandellied, Het carillon van Ekelsbeke (Philippe Souvagie, Ludo Mariën, Quatuor Nuove Musiche), GILDEBROEDERS MAAKT PLEZIEREN, Algemeen Nederlands Zangverbond vzw 20.004 / ES 47.145, 1994
– arrangementen door Vic Nees, NOG KLAARDER DAN DIE ZONNE, Algemeen Nederlands Zangverbond vzw ANZ 20.003 / ES 47.164, 1994
– VIC NEES. SACRED CHORAL WORKS (Vlaams Radiokoor), René Gailly 92029, 1996
– LIEDJES VOOR DE SLAPELOZEN (Capella Beatae Mariae Ad Lacum), uitgave in eigen beheer KB3481, 1999
– Sine Musica nulla disciplina, KOOR VAN HET JAAR 1999-2001, Koorfederatie Vlaanderen KfV1, 2000
– Memoria Justi, IN FLANDERS’ FIELDS, vol. 22, Phaedra 92022, 2001
– Bonum est confiteri Domino, O gloriosa, Nuestra Senora de la Soledad (Helicon), OP DE HOOGTE, Helicon 20-1, 2003
– A TRIBUTE TO VIC NEES (Vlaams Radio Koor), Phaedra 92035, 2004
– Z (Capella di Voce), DE NIEUWE OOGST. NATIONALE KOORCOMPOSITIEWEDSTRIJD 2005, Capella di Voce CDV 03, 2005
-Trumpet Te Deum, Singet dem Hern, Neusser Messe (Musa Horti), IN FLANDERS’ FIELDS, vol.42 , Phaedra 92042, 2005
– Drie liederen op teksten van P.Thomas, Vigilia de la Pentecosta, In diebus festivis cantica, Beati mundo corde, Aachener Ave Maria, Amsterdammer Pater Noster (Capella SS Michaelis & Gudulae), NEES & NEES, CSSM&G 0601, 2006
– Gekwetst ben ik van binnen, EUROPEAN FOLK SONGS, Arsis MSB 2007, 2007
– Picchiarello, Rijke armoede van de trekharmonica, CALOROSO, Montefagorum MFP 20101, 2010
– Trumpet te Deum, FLEMISH CHORAL MUSIC, Koor & Stem KS015, 2010
– Requiem, Tweeklank van aarde en water, De zee is een orkest (Gents Madrigaalkoor), VIC NEES – REQUIEM, GMK11, 2011
– Trois complaintes, A Furnes Jardin des olives, Les vierges sages (Pools Radio Koor Krakow), CHOIR MUSIC FROM POLAND AND BELGIUM, Phaedra 92072, 2011
– Filosofenfontein, Drie pelgrimsliederen van David (Capella di voce), DIT DENKEN AAN U…1936, Montefagorum MFP 20131, 2013
– De profundis clamavi (Musa Horti), AUS DER TIEFE, uitgave in beheer van Musa Horti 5 419999 106931, 2014

 

Uitgevers

Annie Bank
Euprint
De Notenboom
Möseler Verlag
Koor & Stem

 

Links

Meer informatie op muziekcentrum.be
Beluister een aantal werken op koorklank.be
YouTube-kanaal

 

 

©MATRIX
Teksten van Els Vercammen, Kristien Heirman, Klaas Coulembier en Anna Vermeulen
Laatste aanpassingen: 2018