DE BAERDEMACKER Kris (1972)

Kris De Baerdemacker, geboren in 1972 te Gent, begon zijn muzikale opleiding aan de Academie voor Muziek, Woord en Dans te Aalter, waar hij piano, cello, orgel en muziekgeschiedenis studeerde. Na zijn studies vertaler-tolk, studeerde hij compositie aan het Koninklijk Muziekconservatorium te Gent in de klas van Godfried-Willem Raes. Hij concentreerde zich op experimentele muziek waarin de relatie componist-uitvoerder in vraag wordt gesteld en waarin het concept van elektro-akoestische audio-landschappen centraal staat. Hij nam onder andere deel aan Sound Travels van Darren Copeland, een workshop rond spatialisatie van elektro-akoestische muziek.

Netmusic is het resultaat van een samenwerking met het departement informatica van de Hogeschool van Gent, een compositie voor internetsites. Verder werkte hij tijdens zijn studies mee aan het project De Ronde van Vlaanderen, een uitwisselingsproject tussen studenten compositie van drie Vlaamse conservatoria. Sinds zijn studie werkt De Baerdemacker aan een hele reeks van composities voor player piano: ze werden gecreëerd in Stichting Logos en waren ook te horen in Nederland en Frankrijk.

Sinds 2002, twee jaar na zijn promotie tot Meester in de Compositie, werkt De Baerdemacker bij de Stichting Logos, een centrum voor geluidskunst en experimentele muziek, waar hij functioneert als musicus en regieassistent in de studio voor elektro-akoestische muziek. In 2002 participeerde De Baerdemacker in opdracht van Q-O2 met het gelegenheidsstuk Sie sterben so schön, een confrontatie tussen muzikanten, samples en ongedetermineerd compositiemateriaal, aan een herdenking van 60 jaar deportatie in Breendonk.

 

Werkbespreking

Het werk van Kris De Baerdemacker kan onderverdeeld worden in muziek voor instrumenten, muziek voor automaten en muziek voor luidsprekers.

In de composities voor instrumenten opteert De Baerdemacker voor een verruiming van de klankproductiewijze door onbepaaldheden in de partituur in te bouwen en door gebruik te maken van grafische notatie. Dit zal net zoals Lachenmanns composities verdrongen klankmogelijkheden activeren en ongebruikelijke expressiemogelijkheden openen voor de componist. De muzikant zal in het compositieproces een actieve rol toebedeeld krijgen en derhalve in zijn expressie niet gehinderd worden door de determinatie van de partituur. In enkele van de Bagatellen voor wisselende bezetting zal hij de instrumenten niet als traditionele toonhoogte-instrumenten opvatten, maar gaat hij in tegen de conventionele speeltechniek door atypische speelwijzen (wrijven over de snaren van een gitaar, op de klankkast kloppen van de gitaar/cello,…) te componeren. Door een combinatie van traditionele en grafische notatie laat hij de mogelijkheid aan de uitvoerder open zelf te participeren aan het compositieproces. Zo revolteert hij op duidelijke wijze tegen het concept van de ‘autoritaire componist’ en tegen de traditionele compositiepraktijk.

Een tweede groep composities is geschreven voor automaten; de player piano staat hier centraal. Zijn interesse in de Gestaltpsychologie mag blijken uit het concept dat telkens weer ten grondslag ligt van zijn studies voor player piano, hoewel de invloed van Conlon Nancarrow hier ook een rol speelt. Net zoals in Nancarrows studies voor player piano wordt een klein motief/Gestalt op indringende wijze verwerkt door minimale variaties aan te brengen. Dit zal leiden tot een climax. Zo wordt in Study #1(1998) een groepje van vier noten herhaald, identiek of gemuteerd. Dit zal uitgroeien tot een lange ketting met een constant ritme, dat in andere stemmen geïmiteerd wordt. Verderop klinkt bovenop het gedreun, door de superpositie van de geïmiteerde motieven, een motief van drie noten dat door rotatie de muziek naar een eerste hoogtepunt brengt. Zonder verpozen draaien motiefjes rond eenzelfde noot en in andere stemmen worden nieuwe kettingen met motieven opgebouwd naar een tweede hoogtepunt toe. Wanneer de overblijvende stemmen allemaal unisono klinken, stopt de muziek. In de derde studie (1999) zal een cluster de Gestalt zijn die langzaam wordt opgebouwd en afgerond met een melodie. De fragmentatie en afbouw van de cluster wordt gealterneerd met akkoorden, die het ritme van de oorspronkelijke melodie overnemen. In Study #6 (2000) vormen vijf ‘grondakkoorden’ een sequens die herhaald wordt waarbij elke akkoordnoot in een andere oktaafligging klinkt. De oktaafliggingen zijn zodanig gekozen dat de akkoorden (‘omkeringen’) een harmonische beweging suggereren die in een welbepaalde zinsbouw resulteert. Doordat de progressies zeer traag verlopen, krijgt het stuk een rustig, enigszins meditatief karakter. Vanaf de zevende studie zal de player piano vervoegd worden door andere instrumenten, zoals de virtuele vibrafoon en automaten, zoals de vibi en harma van Godfried-Willem Raes.

In De Baerdemackers composities voor luidsprekers onderkennen we twee types, namelijk composities voor tape met concreet klankmateriaal en composities voor tape opgebouwd uit elektronisch opgewekte klanken. Het interageren, dialogeren en versmelten van omgevingsgeluiden en zelf geproduceerde geluiden, de zogenaamde klanklandschappen, vormen in de werken voor tape met concreet klankmateriaal de centrale idee. In Posaunen (2001), een interactief werk voor dwarsfluit en computer, worden klanken met een gesloten embouchure gespeeld op dwarsfluit, geconfronteerd met samples van vervormde dwarsfluitgeluiden. Afhankelijk van de snelheid van de bewegingen die de solist(e) maakt, wordt een aantal van die samples bewerkt (time-stretching, pitch-shifting, granulaire synthese…) en afgespeeld. In het begin heerst er een ‘dialoog’ tussen solist(e) en computer, naarmate het stuk vordert, raakt de solist(e) ondergedompeld in een heus klankbad. In Contradicting soundscapes (2003) schept De Baerdemacker een klanklandschap uit zowel samples als zelfgeproduceerde kamermuziek; een kruispunt op spitsuren staat diametraal tegenover toeters en instrumentale muziek.

Het systeemloze en intuïtieve zoeken naar klanken/klanklandschappen brengt De Baerdemacker tot soundscapes die telkens opnieuw refereren naar natuurtaferelen. In Scratch (2000) wordt het toerental van een 45-toerenplaatje met vogelgeluiden dat voorzien is van Franse commentaar met de hand gevarieerd en af en toe ‘gescratched’. De soms zeer trage snelheid van de draaitafel en de slechte kwaliteit van de plaat maken de oorspronkelijke klanken onherkenbaar. De commentaarstem klinkt als diep gegrom en gebrul, de vogelgeluiden als een hevige windstorm ergens midden een desolaat landschap. Ook in Splash (1999) wordt een onweerachtige sfeer gecreëerd door geluiden van een gong te combineren met een regenmaker. Na een ontlading in een storm van vervormde watergeluiden, keert de rust terug met een gongslag, de zachte ruis van de regenmaker en uitstervende watergeluiden.

Ook het tegendeel is mogelijk wanneer De Baerdemacker concrete geluiden vervormt tot een surrealistisch klanklandschap. In XplosiV (1999) klinkt geen geknal en geknetter; de titel verwijst naar de compositietechniek. Een tiental bewerkte p-klanken (plosiefklanken) zijn tot een klanktapijt gemonteerd, dat tijdens het stuk in vervormde vorm geplaatst wordt tegenover een aantal motieven met verkorte, onherkenbare geluiden van een basdrum, een bamboestok en een metalen buis door ’time-stretching’.

Daarnaast staan de composities voor tape met elektronisch opgewekte klanken in dewelke de componist/’klankingenieur’ de volledige controle over het compositieproces en het eindresultaat bezit. Zo vertrekt Monotone #1 (2000) vanuit een sinustoon waarvan de amplitude door een LFO (Low Frequency Oscillator) gemoduleerd wordt. Door superpositie van de vervormde sinustoon, weliswaar met korte tijdsintervallen, worden zwevingen verkregen, die als ritme beschouwd kunnen worden. De compositie eindigt met enkele hoge, discrete tonen die als het ware uit de zwevingen van de uitstervende continue tonen ontstaan.

 

Werklijst

Muziek voor instrumenten: Bagatelle #2 (1998); Bagatelle #1 (1998); Bagatelle #4 (1999); Bagatelle #3 (1999); Bagatelle #5 (2000); Posaunen (2001); …sie sterben so schön (2002); Bagatelle #6 (2002); Etude (2003); Canon for 2 guitars (2003); ToFu (2003); Pas de Tango (2005); Piano Miniature nr. 2-5 (2005); Piano Miniature nr. 1 (2005); Verse.. (H. Heine) (2006); Chamber Music (2006); Blending (2006); Blending for orchestra & soundtrack (2006); Diptych (2007); Etude no. 2 (2008); Music for 14 players (2008)

Muziek voor automaten: Study #1 tot #6 voor player piano solo (1998-2000); Study #7 (2000); Study #8 (2000); Study #9 “Zum Wohl” (2002); Study #10 “Caramba” (2002); Study #11 (2004); Study #12 (2004); Study #13 “Contradicting Soundscapes” (2004); Study #14 (2004); Study #15 (2004); Study #16 (2004); Study #17 (2004); Study #18 (2005); Study #19 (2005); Study #20 (2005); Study #21 “Burden Birds” (2006); Study #22 “Shifting Patterns” (2006); Study #23 (2007); Study #24 (2007); Study #25 (2007)

Muziek voor luidsprekers: Splash (1999); XplosiV (1999); Scratch (2000); Monotone #1 (2000); Radiomix (2000); Monotone #2 (2003); Monotone #3 (2003); Scattered Sounds audio (2005); Sonic Fantasy on Carceri d’Invenzione (2005); Hamix (2007)

 

Discografie

– XplosiV, EA – ELEKTRO-AKOESTISCHE COMPOSITIES UIT DE LOGOS-STUDIO, LPD 003
– Study #1, Study #3, Study #5, PP – NEW MUSIC FOR PLAYER PIANO, LPD 004
– Study #4, M&M – MAN & MACHINES, LPD008
– Quartett – Kalès Guitar Quartet
– Pas de Tango – Ruth van Killegem & Jona Kesteleyn
– New Music for Player Piano, Logos Public Domain 004
– M&M, Logos Public Domain 008
– Machine Orchestra, Logos Public Domain 013
– StudAxe – New Music for Player Piano 2, Logos Public Domain

 

Links

http://www.logosfoundation.org/archival/index-kris.html#works

 

© MATRIX
Teksten van Jan De Moor
Laatste aanpassingen: 2003