DE JONGHE Ward (1990)

Biografie

Ward De Jonghe is componist en pianist. Voordat hij zich aan de muziek wijdde, behaalde hij een masterdiploma in de Chemie aan de UGent, waar hij nadien tewerkgesteld werd als onderwijsassistent bij het Departement Chemie. Daarnaast behaalde hij aan het Conservatorium Gent achtereenvolgens een bachelor als klassiek pianist bij Daan Vandewalle, een master muziektheorie bij Marc Masson en Johan Duijck, en een master compositie bij Daan Janssens. Sindsdien nam hij deel aan verschillende masterclasses en workshops met componisten als Pierluigi Billone, Isabel Mundry, Dai Fujikura, Fritz Hauser en ensembles als Symfonieorkest Vlaanderen, Arditti Quartet en JACK Quartet. Zijn composities werden uitgevoerd door onder andere Akthamar Quartet, Anemos Saxofoonkwartet, Symfonieorkest Vlaanderen, Goggles, Koi Collective en Nemø ensemble en waren al te horen op festivals als Ars Musica (Brussel), Transit (Leuven) en isaFestival (Wenen). Als uitvoerder is De Jonghe vast verbonden aan Nemø Ensemble. Daarnaast speelde hij als gastmuzikant bij onder meer Graindelavoix, Helicon kamerkoor, HERMESensemble en Joeri Chipsvingers.

In 2020 werd De Jonghe geselecteerd voor de Composers’ Academy van Symfonieorkest Vlaanderen, waardoor hij de kans kreeg zijn orkestprelude Ansatz in samenwerking met het orkest te ontwikkelen en aan een publiek te presenteren. Zijn Strijkkwartet I werd geselecteerd voor de ISCM World New Music Days van 2021 in Shanghai en Nanning, die echter omwille van de covidpandemie werden geannuleerd. De Jonghes Fuga a 4 voci werd opgenomen op de verzamel-CD Fingerprints #4 (2022) van Klara, ComAV en Kunstenpunt. Met zijn liedcyclus Wunderhorn haalde hij in 2023 de finale van het Rhonefestival für Liedkunst in het Zwitserse Brig. In hetzelfde jaar kreeg hij de eerste prijs van de Concours de composition Andrée Charlier met de piano-etude σιδήρειος.

 

Werkbespreking

Een belangrijke werkgroep in De Jonghes beginnende oeuvre wordt gevormd door de drie strijkkwartetten. Die kwartetten maken deel uit van een (geplande) vierdelige sonatecyclus en zijn zowel afzonderlijk als in cyclusvorm uit te voeren. Behalve de klassieke karakters van een sonatecyclus vinden we hierin ook thematische verwantschappen terug doorheen de cyclus. Daarbij is er tevens een rol weggelegd voor een ander werk, namelijk de Altviooletudes, waaruit De Jonghe een deel van het materiaal voor de volgende twee kwartetten ontleende en die zelf gebaseerd zijn op materiaal uit Strijkkwartet I.

Het Strijkkwartet I vervult de rol van een typisch openingsdeel in sonatevorm, weliswaar zonder reprise. De basis voor de hele compositie is al terug te vinden in het beginmotief van drie noten, dat de motieven en melodieën in de rest van het kwartet verbindt. Kenmerkend zijn hier bovendien de toonhoogteverhoudingen, die eerder volgens de tritonus dan de traditionele kwint opgebouwd zijn: in het begin geldt de d# min of meer als centrale toon (vaak in cluster met d en e), maar na verloop van tijd neemt de a die rol over.

Het Strijkkwartet II neemt de plek in van het scherzo in de sonatecyclus. Het is nauw verwant aan het eerste strijkkwartet, weliswaar met de Altviooletudes als tussenstap. In de eerste 48 maten van het kwartet realiseert de altviool de eerste etude, terwijl de andere instrumenten een ondersteunende rol spelen. Deze eerste etude, en dus ook het begin van het Tweede strijkkwartet, bestaat uit een opeenvolging van elf onafhankelijke, korte fragmenten die elk een uitgepuurde, kernachtige geste vormen. In de etude is de volgorde van die fragmenten vrij te bepalen door de uitvoerder, in het kwartet is ze wel vastgelegd. In de tweede helft van dit kwartet werken alle vier de instrumenten vervolgens de tweede etude samen uit.

Het Derde strijkkwartet neemt in het geheel van de kwartetcyclus de rol van de trage beweging op. Ook dit kwartet is gebaseerd op materiaal uit Altviooletude nr. 1, dit keer gespeeld door de cello. De manier waarop dit materiaal in het kwartet wordt geïntegreerd is echter compleet anders. Zo verschilt niet alleen de volgorde waarin de individuele fragmenten van de etude opduiken, maar ook de sfeer en de textuur waarin ze worden geïntegreerd. Daarbij speelt de cello veel minder een solistische rol, zoals de altviool die kreeg in het Tweede strijkkwartet; eerder zijn het de ruisklanken van de andere instrumenten die op de voorgrond treden.

Een ander belangrijk kamermuziekwerk is Sc voor fluit, klarinet, viool, cello en piano (2022), bestaande uit drie delen die als karakterstukken kunnen worden gezien. Het strakke eerste deel is volledig gebaseerd op een motief van drie noten (C-D-C#) waarmee het deel opent. Het motief wordt door middel van allerlei technieken verder uitgewerkt: het wordt verlengd, getransponeerd, gepermuteerd en gespreid over verschillende octaven om op die manier een rijk spectrum aan muzikale texturen te verkrijgen op basis van uiterst beperkt materiaal. Dit proces mondt uit in een climax, waarbij alle instrumenten tegelijkertijd fortississimo een eigen versie van dit basismotief spelen. Het tweede deel heeft geen motieven maar een harmonie als vertrekpunt, die op een vrijere manier wordt uitgewerkt, met een deels approximatieve notatie. Het derde deel, tenslotte, baadt in een grillige, onvoorspelbare sfeer vol plotse contrasten.

In zijn vocale werken gaat De Jonghe graag in dialoog met de muziektraditie. Zo verwijst de bezetting van de Drei Erzählungen aus Franz Kafkas ‘Betrachtung’ (2018-2019) naar het ensemble van Arnold Schönbergs Pierrot Lunaire. Daarbij doet ook de zangtechniek denken aan Schönberg: bij De Jonghe is het weliswaar geen consequent doorgevoerde Sprechstimme, maar een combinatie van gezongen noten met spreek- en fluisterstem zonder duidelijk vastgelegde toonhoogte. Hetzelfde geldt voor de textuur, gekenmerkt door een hoge contrapuntische densiteit waarbij elk instrument een autonome partij vertolkt. De teksten zijn, zoals de titel aangeeft, afkomstig uit Betrachtung, een verzameling van vaak uiterst korte verhalen van Kafka. In het eerste deel “Der Ausflug ins Gebirge” zijn beide eerder beschreven zangtypes terug te vinden: de eerste helft is eerder reciterend of declamerend in kleine intervallen, terwijl de tweede, na een korte stilte, veel lyrischer is qua zangstijl. In het tweede deel, “Wunsch, Indianer zu werden”, vallen vooral de textuurcontrasten op. De instrumenten komen in begin en midden kort samen om de reciterende zangstem te begeleiden en werken samen aan de climax die het lied abrupt afsluit, terwijl in de snellere passages elk instrument volledig zijn eigen weg gaat. Het derde deel ten slotte begint met een dalend motief van drie noten, dat steeds terugkeert en waaruit vrijwel al het materiaal van de rest van het lied opgebouwd lijkt te zijn – enigszins vergelijkbaar met het lied “Nacht” uit Schönbergs Pierrot Lunaire.

In Wunderhorn (2023), een liedcyclus voor stem, percussie en tape, refereert De Jonghe dan weer naar Gustav Mahlers Des Knaben Wunderhorn. Het werk is een combinatie van (getrouwe dan wel zeer vrije) arrangementen uit Mahlers liedcyclus en eigen toonzettingen van teksten uit de Wunderhornverzameling van Clemens Brentano en Achim von Arnim (die behalve door Mahler ook getoonzet werden door onder meer Schubert, Mendelssohn, Brahms en Schönberg). Terugkerende thema’s in de Wunderhorn-gedichten zijn figuren als jagers en soldaten, de lente met alles wat daarbij hoort (het bos, vogels, ontluikende liefdes of juist het verdriet om verloren liefde) en de dood. Een voorbeeld van een van De Jonghes Mahlerbewerkingen is “De vissenpreek”, gebaseerd op “Des Antonius von Padua Fischpredigt”, waar De Jonghe enkele duidelijke verwijzingen naar Mahlers Tweede Symfonie aan toevoegt. De twee volledig nieuw gecomponeerde liederen uit deze verzameling zijn Te en Au. In Au, waarvan de titel verwijst naar het chemische element goud, refereert De Jonghe aan nog een andere muzikale traditie, namelijk het middeleeuwse motet. De muziek is opgebouwd met principes als de cantus firmus en isoritmie, en er klinken verschillende talen tegelijkertijd, waarbij de tekst pas geleidelijk herkenbaar wordt als die van Mahlers “Es sunge drei Engel.” Ook in Te speelt De Jonghe met de tekst. Naast het Wunderhorn-gedicht “Das irdische Leben”, waarin een kind ten onder gaat aan de dagelijkse sleur van het aardse leven, plaatst hij een fragment uit Nietzsches Jenseits von Gut und Böse, dat net aanzet om het heft in eigen handen te nemen. De titel verwijst ook hier naar een chemisch element, namelijk telluur, een donker materiaal dat net als het gekras op de tamtam de aardse sleur uit de tekst weerspiegelt.

In zijn werk ontwikkelde De Jonghe ook een karakteristiek harmoniegebruik.  Als uitgangspunt neemt hij het klassieke principe dat een verticale opeenstapeling van toonhoogte (een akkoord) als basis fungeert voor de horizontale (melodische) ontwikkeling van het stuk. Dat klassieke uitgangspunt combineert hij met een hedendaagse toonspraak. Die techniek is bijvoorbeeld toegepast in (…sur la nuit verte…) (2020), een prelude voor viool en piano. In tegenstelling tot de Kafka-Erzählungen, waarin dezelfde techniek gebruikt wordt, is het harmonisch ritme hier eerder langzaam: slechts vier harmonieën zonder transposities of octaveringen vormen de basis van alle melodie en harmonie, naast een beperkte set van toonhoogtes die vrij voorkomen in ieder octaaf. Hetzelfde geldt voor (…fend…) voor sopraansaxofoon en piano (2021), gebaseerd op een fragment uit Mozarts Don Giovanni (hier echter onherkenbaar getransformeerd). Met uitzondering van doorgangsnoten en appogiaturen gebruikt De Jonghe ook hier slechts vier harmonieën. Samen met het relatief vrije metrum draagt dit uitgepuurde harmoniegebruik hier bij aan de sfeer van tijdloosheid die dit werk beheerst, slechts af en toe doorbroken door een kleine uitbarsting van een van de instrumenten.

Ook aan de piano-etude Passacaglia (2022) ligt deze harmonische signatuur ten grondslag. Uit een reeks van opnieuw vier akkoorden leidde De Jonghe een opeenvolging van noten af, die de pianist in een gelijkmatige accelerando moet uitvoeren. De combinatie van het versnellende tempo en de grote afstanden tussen de opeenvolgende tonen maken het een virtuoos stuk en zorgt er bovendien voor dat de luisteraar de notengroepjes steeds op een andere manier gaat percipiëren. De Jonghes tweede piano-etude, σιδήρειος (2023), ontleent zijn titel aan het Griekse woord voor ijzer. Vanuit de associaties van dit element met zaken als machines, industrialisatie en oorlog onderzoekt deze etude vooral de ruwheid van de piano: percussieve aanslagen, veel dissonantie en een gebrek aan een vast metrum.

De Jonghes eerste belangrijke orkestwerk was de orkestprelude Ansatz (2022), die zijn titel ontleent aan het motief van vier noten (aanzet) waarmee het werk opent en dat later voortdurend terugkeert, bijvoorbeeld zeer prominent in de trompet aan het einde van het stuk. Het werk wisselt af tussen enerzijds lang aangehouden harmonische vlakken waaruit enkele instrumenten of instrumentengroepen zich met melodisch materiaal laten onderscheiden, en anderzijds dynamischere momenten waarop het hele orkest via een of enkele aanzetten toewerkt naar een nieuw klankvlak. Net als andere werken wordt Ansatz voortgestuwd door de harmonie, gebaseerd op een hedendaagse invulling van klassieke principes. Naast die orkestprelude schreef De Jonghe Se/Fe, een concerto voor percussie en orkest. De twee delen van dit concerto gaan uit van twee basistechnieken om een percussie-instrument te bespelen: wrijven en slaan. Ook de titel weerspiegelt die tweedeling: Se (selenium) is afgeleid van het Griekse woord voor maan en symboliseert hier de ruisklanken die vaak als een soort andere muzikale wereld worden gezien, terwijl Fe (ijzer), het meestvoorkomende element in de samenstelling van de aarde, verwijst naar het aardse karakter van drumslagen. In het eerste deel speelt de solist gewreven klanken, waar het orkest op reageert met voornamelijk ruisklanken, terwijl deze in het tweede deel een min of meer stabiele puls vestigt en orkest en solist hun eigen weg opgaan. Na een cadenza voor de percussionist keert de sfeer van het begin terug, van waaruit de klank zich nog een laatste keer op- en afbouwt.

 

Werkenlijst

Orkest: Ansatz, prelude voor orkest (2022); Se/Fe voor solo percussie en orkest (2023)

Kamermuziek: Strijkkwartet I (2019); whencesover voor ensemble (2019); Strijkkwartet II (2020); (… sur la nuit verte …), prelude voor viool en piano (2020); Strijkkwartet III (2021); (… fend …) voor sopraansaxofoon en piano (2021); Sc voor ensemble (2022)

Vocaal: Drei Erzählungen aus Franz Kafkas ‘Betrachtung’ voor sopraan en ensemble (2019); Wunderhorn, liedcyclus voor stem, percussie en tape (2023); Au voor drie stemmen en drie percussionisten (2023); Te voor stem, percussie en tape (2023)

Solo-instrumenten: iets traags en iets snels voor piano solo (2017); Altviooletudes (2019); (… violets …), miniatuur voor piano (2020); Passacaglia, etude 1 voor piano (2022); σιδήρειος, etude 2 voor piano solo (2023); C voor harp solo (2024)

 

Discografie / Luisteren

Fuga a 4 voci verscheen op: Fingerprints #4: Signatures from composing Flanders. Kunstenpunt / Flanders Arts Institute, 2022.

Ward De Jonghe op Youtube

Ward De Jonghe op Soundcloud

 

Teksten van Robbe Beheydt

Laatste update: 2025